Een verre familie en een pijnlijk dilemma
De laatste tijd zien we bij herhaling berichten in de media over mennonieten in Latijns-Amerika.1 Journalisten maken rapportages over hoe zij grote stukken oerwoud opkopen en kappen om er boerderijen te beginnen. Deze verhalen zorgen voor schrik en irritatie bij veel doopsgezinden in Nederland. Voor velen is het moeilijk te begrijpen hoe mensen die zich beroepen op een vredelievende traditie een aandeel hebben bij de vernietiging van de natuur en de mogelijke landonteigening van de oorspronkelijke bewoners. In vier korte artikelen ga ik in op dit onderwerp: wie deze mennonieten zijn, welke plaats ze hebben in de doperse (oftewel anabaptistische) beweging en wat er vanuit de bredere doperse beweging gedaan wordt en kan worden in wat de meesten van ons beschouwen als een pijnlijke situatie.
Deze keer gaat het over de vraag naar de historische verbondenheid tussen (Nederlandse) doopsgezinden en de mennonitische boeren waar het in het nieuws om gaat.
Afstand nemen is niet genoeg
Tot twee keer aan toe is er vanuit het bestuur van de Algemene Doopsgezinde Sociëteit gereageerd op de berichten over ontbossing door mennonieten. Ze hebben afstand genomen van deze groepen mennonieten door te benadrukken dat deze geen lid zijn van de Mennonite World Conference (MWC), waar de Nederlandse doopsgezinden wel deel van uitmaken. Ook de voorzitter van de MWC heeft dit bevestigd. De reactie onderstreept daarmee hoe machteloos doopsgezinden ten opzichte van elkaar zijn. Doopsgezinden benadrukken de autonomie van lokale gemeenten en kennen in tegenstelling tot sommige andere kerkgenootschappen geen kerkrecht. De morele invloed die doopsgezinde groepen op elkaar hebben is daarmee beperkt. Zeker wanneer het gaat om groepen die niet zijn aangesloten in hetzelfde wereldwijde verband van de MWC en die erg afgezonderd leven.
De morele invloed die doopsgezinde groepen op elkaar hebben is beperkt
Maar in verklaringen op de website afstand nemen van deze groepen, geeft geen voldoening. Veel doopsgezinden voelen zich na deze verklaringen nog steeds ongemakkelijk. De reden is simpel: of we het nu leuk vinden of niet, deze mennonieten komen uit dezelfde anabaptistische beweging als wij, het zijn onze achter-achterneven en -nichten. Dat blijft gênant. Als journalisten het hebben over “oerwoud-verslindende Mennonieten,” schaadt dit het beeld van doopsgezinden als vredelievende christenen.
De kleurrijke geschiedenis van de dopersen
Om dit beter te begrijpen, is het goed om te weten dat de doopsgezinde beweging van oudsher heel divers is. Kerkhistorici spreken van ‘polygenesis’, wat betekent dat de beweging op verschillende plaatsen tegelijkertijd ontstond. Er waren groepen die van het begin af aan vredelievend waren, maar ook groepen die revolutionaire ideeën hadden, zoals de dopersen in Münster die Gods Rijk op aarde wilden stichten, zelfs met geweld. De doperse beweging is dus als een rivier met veel vertakkingen. Het is niet zo makkelijk te bepalen wat nu de ‘hoofdrivier’ is. Wat ’typisch doopsgezind’ is, is veel moeilijker te zeggen dan we doen voorkomen.2
Veel groepen anabaptisten noemen zich ‘mennonieten’, naar Menno Simons (1496-1561), een belangrijke leider uit de zestiende eeuw. Ook Nederlandse doopsgezinden noemen zich ‘Mennonite’, als ze zich buiten Nederland voorstellen in kerkelijke gezelschappen. In Nederland gebruiken we deze naam echter minder vaak. Als anderen mij mennoniet noemen, roept dat ongemak en verzet bij me op. Het heeft voor mij een te conservatieve bijklank. Historisch gezien klopt het ook niet, vind ik, om doopsgezinden te reduceren tot ‘volgelingen van Menno’. Menno Simons was slechts één van de belangrijke figuren in de doperse beweging, niet de enige. Vraag mij welke van de eerste dopers ik nu het meest bewonder, dan neig ik niet naar Menno Simons, maar naar de Zuid-Duitser Pilgram Marpeck, die oecumenischer was, of naar Hans Hut, die met zijn maatschappelijk betrokkenheid en revolutionisme vandaag misschien nog wel meer inspiratie te bieden heeft. Ik zou misschien ook meer willen leren over de bevlogen en standvastige vrouwen3 in onze beweging.
Wie doopsgezinden zijn, wie zich nog binnen de rafelige grenzen bevinden en wie er buiten staan, zal altijd een open vraag blijven. Als het ons lukt die vraag open te houden, mogen we trots zijn, denk ik. Doopsgezinden zeggen graag open te staan voor nieuwe inzichten. Nooit was ik als doopsgezinde trotser, dan wanneer ik een doopsgezinde met humor, met mededogen en gezonde dosis zelfspot hoorde praten over de eigen traditie. Te horen hoe dopers door de eeuwen heen hebben geworsteld om Christus integer met de tijd het beste na te volgen maakt onze traditie menselijk en herkenbaar, en van tijd tot tijd inspirerend.
Je kunt doopsgezinden niet reduceren tot ‘volgelingen van Menno’
Schaamte en verantwoordelijkheid
De levenswijze van de mennonieten in Latijns-Amerika, zoals die nu in de media komt, vervult veel Nederlandse doopsgezinden met schaamte. De ogen van de wereld kijken naar ons. We zouden willen haasten afstand te nemen van deze familieleden. Maar het punt is, dat we als doopsgezinden moreel gezien alleen het recht hebben over deze kwestie mee te praten als we erkennen dat we wel degelijk ‘familie’ zijn. Dat brengt tegelijkertijd de inspanningsverplichting met zich mee om ons meer in deze mensen te verdiepen. Pas als we beter begrijpen waar wij op elkaar lijken, welke verbanden er zijn tussen hen en ons, kunnen we zeggen waarin wij nu precies een andere afslag nemen in ons denken en doen. Want we moeten eerlijk zijn. Ons eigen bewustzijn van het milieu en onze rol in de koloniale geschiedenis is namelijk ook nog ‘pril’. De verontwaardiging over het systeem van kolonisatie is niet alleen voor doopsgezinden, maar voor de hele samenleving relatief nieuw.
Sommige journalisten beschrijven onze doperse achterneven en nichten als leden een sekte van witte mensen die het woud moedwillig illegaal ontbossen. De rapportages zijn journalistiek vaak van goede kwaliteit. Tegelijkertijd wijzen ze wel erg makkelijk schuldigen aan. Voordat we als Nederlandse doopsgezinden mee gaan in de verontwaardiging en schaamte, hebben we de morele plicht ons meer in de geschiedenis en beweegredenen van onze achterneven en nichten te verdiepen. Deze plicht brengt ook een mooie kans, namelijk om beter te begrijpen wat de rol is van deze mennonieten in de wereldgeschiedenis. Vervolgens kunnen we ook beter zien wat daarbij onze rol is – of zou kunnen zijn. Vervolgens kunnen we ook beter zien wat daarbij onze rol is – of zou kunnen zijn (zie delen 3 en 4 van deze serie).
In het volgende artikel van deze serie ga wordt dieper ingegaan op de geschiedenis en de beweegredenen van deze mennonitische groepen. Dit deel verschijnt op donderdag 4 september.
Tekst: Iris Speckmann
Beeld: Huzaifa Ochom